Nieuwe fabriek
Van Wijnen: de ware wending is de digitale revolutie
Tekst: Ysbrand Visser | Beeld: De nieuwe fabriek van Van Wijnen in aanbouw in Heerenveen.
Van Wijnen bouwt momenteel in Heerenveen de woningfabriek van de toekomst. Wie verwacht dat de revolutie alleen te ontdekken is in lopende banden en robots, zit niet helemaal op het juiste spoor. Het is het ‘end-to-end IT-platform’, waarin volgens directeur Menso Oosting vooral ook de wending schuilt. Een digitaal, industrieel platform, dat niet alleen zorgt voor efficiency, maar ook voor gemak voor de klant.
Natuurlijk wordt het een fabriek met bijzondere kenmerken. De losse elementen voor een nieuwbouwwoning, zoals gevels, wanden en vloeren, schuiven er op grote ‘tafels’ door de fabriek. Daarbij zorgen robots voor veel werkzaamheden die bouwvakkers gewend zijn te doen en verrichten operators de resterende logistieke en montagehandelingen. Volgens Menso Oosting (Directeur Fijn Wonen) is er in Europa op deze schaal en met deze integraliteit nog geen fabriek gebouwd.
“Het IT-platform is de ruggengraat van ons systeem”, vervolgt Oosting. “Het is een complexe, integrale keten die vanaf de order van de klant tot en met het onderhoud en beheer digitaal geregisseerd wordt. De IT voedt daarbij de robots in onze fabriek.” Het is dus de digitalisering die de revolutie in de bouw inleidt. Vaak is dat op deze schaal een omvangrijke en lastige klus, maar Oosting is vol vertrouwen. “De digitale transformatie van onze sector is bij ons echt een thema.
Wij hebben van begin af aan in BIM geloofd en zijn daar al tien jaar mee bezig. Dat is toen vrij rigoureus ingevoerd, door het hele bedrijf heen, en daar plukken we nu de vruchten van. Onder de radar werken we inmiddels al een paar jaar keihard aan deze fabriek. Dit is de volgende stap na BIM en gaat veel verder.”
Miljoenen variaties
“In 2014 zijn we met Fijn Wonen, het woonproduct van Van Wijnen, begonnen, een concept met drie woningtypes. In een evolutionair proces verfijnen we dat concept, waarbij je de ‘legoblokjes’ steeds kleiner maakt en dat laat meer complexiteit toe. We hebben nu acht woningtypes in 22 uitvoeringen en aan het assortiment zijn ook appartementen toegevoegd, met woontorens tot en met veertien verdiepingen en galerijflats tot en met acht woonlagen. Ondertussen zijn er enorm veel stedenbouwkundige en architectuurmogelijkheden, om zo een grote diversiteit te kunnen realiseren.”
“In totaal zijn er voor de appartementen 32 plattegronden beschikbaar. Een woontoren heeft volgens onze berekeningen ruim acht miljoen variaties en dan rekenen we de variatie in metselwerk niet eens mee. Het metselwerk kan liggend, staand, uitspringend, met verdiepte voegen en in verschillende kleuren worden uitgevoerd. Dankzij het ambachtelijke siermetselwerk doet de uitstraling niet onder voor de traditionele bouw. Sterker nog, ze zijn mooier dan de traditionele bouw voor hetzelfde segment.”
Gevraagd naar de vakmensen die in dit proces nog nodig zijn, blijft Oosting steken op een klein aantal voor bijvoorbeeld grondwerk, heien en pannenleggen. Verder betreft het handwerk de logistiek, montage en assemblage. Oosting: “Een element, gevel of een vloer bouwt zich in het proces stap voor stap op. Het is een samenspel tussen gerobotiseerde handelingen en operators in de fabriek. Dit leidt tot modulaire onderdelen, die volledig afgewerkt naar de bouwplaats gaan en daar worden geassembleerd.”
“Op een dag kunnen wij zo maximaal twintig woningen of appartementen produceren. In de fabriek doen 50 man personeel wat traditioneel 1.350 man vergt. Op de bouwplaats komen daar voor de grondgebonden woningen allround assemblageploegen van zo’n 12 man bij en voor appartementen 25 man. Door de inzet van state of the art technologie reduceren we zo de arbeidsintensiviteit, verlagen we de kostprijs en beteugelen we de gevoeligheid voor loonkostenstijgingen. Bovendien zijn de woningen circulair. Daardoor zijn componenten herbruikbaar of de woningen als geheel verplaatsbaar.”
Woningen uit het Fijn Wonen-programma in volle glorie.
Verspilling arbeidspotentieel
Is dit de weg die traditionele bouwers moeten bewandelen om over tien à twintig jaar nog te bestaan? Volgens Oosting geldt dat mogelijk wel voor de seriematige woningbouw, maar nog niet voor alles. “Elke vorm van industrialiseren begint met deze vorm van standaardiseren. We gaan steeds meer het maatwerk verdringen, dat houdt niet op, maar er zal altijd enige vorm van maatwerk overblijven. Wij bouwen immers ook heel andere zaken, zoals ziekenhuizen, scholen en bijzondere appartementengebouwen of woningen. We moeten proberen ons arbeidspotentieel te verschuiven naar waar het echt toegevoegde waarde heeft. En ook voor onderhoud en transformatie hebben we onze mannen en vrouwen hard nodig. Het zou juist verspilling zijn als we hen in de seriematige woningbouw zouden laten werken.”
De bouw is in de industrie een van de laatste sectoren die nog in deze gedigitaliseerde vorm moet gaan werken. Ook Van Wijnen leerde daarbij van de auto- en vliegtuigindustrie. Oosting: “We hebben gekeken naar industrieën die gebruikmaken van modulaire platformen. Zo laat de luchtvaart zien wat het is om capaciteit te verkopen. De algoritmes die zij hanteren voor pricing en capaciteitsberekeningen zijn ook in onze business relevant. Wat betreft de fysieke kant van ons product maken we graag de vergelijking met auto’s. De auto-industrie maakt met zo weinig mogelijk componenten zoveel mogelijk variaties. Kijk maar wat Volkswagen doet met zijn platform, waarop ook Seats, Skoda’s en Audi’s worden gemaakt. Dan heb je allerlei voordelen, zoals R&D en beheer. Uiteindelijk is het toch the economy of scale.”
3D-units
“Het is ook niet voor niets”, vervolgt Oosting, “dat diverse mensen uit de automotive industrie bij ons werken en dat we de samenwerking aangaan met de autobussendivisie van VDL. Zij zijn in Heerenveen onze buren en belden afgelopen zomer. VDL Smart Spaces gaat nu voor ons 3D-units maken, zoals sanitaire- en installatieruimtes met meterkast. Die gaan kant-en-klaar naar de bouwplaats om daar plug and play geassembleerd te worden. Alleen zo kunnen wij één woning en twee appartementen per dag in een bouwstroom realiseren. Er komen verder ook onderdelen uit andere fabrieken, zoals de daken, deuren en binnenwanden.”
Uiteindelijk wordt er nu ook door Van Wijnen zelf aan de eigen fabriek gebouwd. “Bouwen doen we al 114 jaar, maar het blijft een uitdagend bouwwerk. De hal met alle infrastructuur wordt gebouwd door Van Wijnen. Voor de technologie in de fabriek, zoals de robots, werken we samen met verschillende, vooral buitenlandse fabrikanten. Bovendien wordt er samen met onze IT-partners keihard gewerkt aan het digitale platform. Dat is net zo cruciaal voor de fabriek als de technologie die erin staat.”
“De fabriek is all electric, waarbij voor verwarmen en koelen een forse capaciteit vanuit bodembronnen wordt gebruikt. Voor de elektra, ongeveer drie Megawatt, gebruiken we zonne-energie, die we opwekken op het dak van de fabriek. Verder kopen we aan groene elektra een equivalent van ongeveer drie windmolens in.”
“Als we de productie starten”, aldus Oosting, “verwachten we al een flinke reductie aan CO2-uitstoot te hebben behaald en ontwikkelen we door om per saldo CO2-neutraal te worden. We gaan daarbij uit van het belangrijke principe dat we allereerst proberen het gebruik van grondstoffen zoveel mogelijk te beperken door slank te ontwerpen en verspillingen te elimineren. In de komende jaren gaan we dit verder terugbrengen.”
Van Wijnen verwacht de fabriek rond de jaarwisseling te kunnen openen, is voor 2022 al nagenoeg volgeboekt en de orderportefeuille voor 2023 begint zich ook al heel behoorlijk te vullen, besluit Oosting.

Menso Oosting: “Het IT-platform is de ruggengraat van ons systeem”