Hoofdstuk 3: Symbiose

Met het slotstuk van de expeditie, de zesde bijeenkomst, bereikten de expeditieleden de top van de berg. ‘Symbiose’ stond centraal, het bij elkaar komen van visies, het uitspreken van uitgangspunten en het vaststellen van hoge ambities. “Deze zesde bijeenkomst hebben we nodig om de onderzoeksvraag waar we mee van start gingen, te beantwoorden”, vertelt Sybold Herder van gemeente Hattem.

Een ontwikkeling die helpt bij het vormen van ambities is een weegsysteem dat Hattem wil toepassen. Het is mogelijk om te scoren op verschillende thema’s, gebaseerd op onderdelen die besproken worden tijdens eerdere expeditie-bijeenkomsten. “We willen samen met jullie nagaan of het weegschema voldoende ambitie bevat en of het rekening houdt met jullie belangen”, benoemde Herder als doel.

Eerst inspireerde gastspreker John Nederstigt, oud-wethouder van gemeente Haarlemmermeer de groep. Hij vertelde over nauwe samenwerkingen en de winst die daaruit voortkomt. “Vanmiddag wil ik jullie meenemen in integrale gebiedsontwikkeling. Ik ga prikkelen,” gaf hij aan, “want jullie willen innoveren en dat is niet voor mietjes.” Het begint volgens hem met ‘een samenwerking als vrienden’, maar hoe bouw je vertrouwen op om elkaar de spreekwoordelijke hand te schudden? “Een comfortzone is een mooie plek, maar daar groeit en bloeit weinig. Kom daar allereerst uit. Iedere partij heeft een eigen belang en het eerste wat je moet doen is elkaar respecteren vanwege dat belang.”

Vrienden van ‘t Veen

Een tweede vereiste voor een vriendschap in samenwerking is het aangaan van een langere relatie, om een duidelijkere prestatieafspraak met elkaar te formuleren. “Co-creatie zorgt ervoor dat je met meerderen aan de tekentafel zit en met het grootste gemeenschappelijke belang, voor een langdurige periode, afspraken maakt.” Hij verbindt de twee pijlers met de realisatie van Park 20|20 in Hoofddorp, vooralsnog het grootste Cradle to Cradle-kantorenpark ter wereld, waar ieder gebouw volledig gedemonteerd kan worden. “Door als vrienden met elkaar samen te werken realiseerden we hier een gezond en circulair kantorenpark dat een stuk goedkoper is voor de ontwikkelaar én voor de huurder, op allerlei fronten.”

Een andere succesfactor is volgens Nederstigt lef. Delta Development, de ontwikkelaar die met het park aan de slag ging, had daar genoeg van volgens hem. “We hebben samen een groeimodel gemaakt. Een duurzaam en aantrekkelijk kantoorpark zorgt ervoor dat er veel blije huurders zijn die niet zomaar weggaan. De leegstand is na 10 jaar dan ook nul.” Hij vindt het park ook een goed voorbeeld van waarom je als bouwer verder moet kijken dan je neus lang is. “Gezonde gebouwen geven een goede werksfeer en daardoor is het personeelsverloop lager. In dit geval zo’n 80% minder dan regulier. Reken je dergelijke baten mee, dan ga je heel anders met elkaar samenwerken aan ontwikkelingen en ga je met innovatie aan de slag.”

Realisme beperkt dromen

Hij wijst daarbij op het lonken van het ‘wegzetten van zoveel mogelijk vierkante meters’ voor een gemeente. “Denk niet in rendementen op eigen vermogen. Als je daarop gaat sturen, krijg je nooit de gewenste kwaliteit”, adviseert hij. Ook ontmoedigt hij het omkaderen van een droom in realisme. “Als je steeds terugkomt op een realistische blik voor het gebied, dan ga je nooit je droom realiseren.” Natuurlijk gaat het ook een keer mis. “Dan moet je dat accepteren en elkaar durven helpen. Dat betekent voor de gemeente dat zij met hun college aan een andere manier van werken toe zijn. Het college moet dus ook voor de lange termijn durven gaan en iets nieuws willen proberen.” Voor ’t Veen benoemt hij een gezamenlijk stakeholdermodel met bijvoorbeeld marktpartijen als optie. “Je kunt samen een fonds maken, waarmee je eenvoudiger kwaliteit nastreeft en waar iedereen een investering doet. Daarmee zijn alle partijen betrokken bij de ontwikkeling.” Het idee van een fonds klinkt voor veel mensen aanlokkelijk. “Maar als je ze vraagt om financieel verantwoordelijkheid te pakken, dan wordt het vaak lastiger. Let daarop.”

Een botsproef begeleid door Joske Poelstra van Rho Adviseurs voor de leefomgeving moest uitwijzen hoe de geambieerde integraliteit voor ‘t Veen tot ambitie kan leiden. “Is de ambitie hoog genoeg?”, vraagt Herder zich af. “Het voorbeeld dat we geven is fictief maar tegelijkertijd niet ondenkbaar.” De bedoeling voor ’t Veen is om een Chw-bestemmingsplan [Crisis en Herstelwet, red.] te maken als nieuw planologisch kader. Naast het bestemmingsplan wordt een beoordelingsmodel toegepast. Om flexibiliteit te behouden, is dat aanpasbaar in de tijd via beleidsregels. “Als we 2 jaar verder zijn in het gebied en er zijn ontwikkelingen of innovaties, dan kun je dat eenvoudiger aanpakken dan het bestemmingsplan”, geeft Poelstra aan. “Daarom hebben we een kompas ontwikkeld, met pijlers als woon-en leefklimaat, duurzaamheid, woningtypologie, mobiliteit, architectuur en gebruiksruimte.” Expeditieleden vroegen zich af of deze methodiek rigiditeit met zich meebrengt. Poelstra verzekerde dat flexibiliteit juist het uitgangspunt is: “Dat moet de combinatie afwegingskader en bestemmingsplan bewerkstelligen en daarmee krijgen we onze gezamenlijke bewegingsvrijheid.”

“Innoveren is niet voor mietjes.”

Duurzaam Gebouwd Expert John Nederstigt, oud-wethouder Haarlemmermeer

Inspelen op veranderende trends

Het eerste thema is de gebruiksruimte, waarover John Nederstigt zich afvraagt of er voldoende ruimte is voor bouwers en gebruikers om te anticiperen op nieuwe ontwikkelingen. “Een voorbeeld is een grotere beschikbaarheid en gebruik van elektrische auto’s, die ervoor zorgt dat er een andere geluidsbeleving en -impact is. Volgens Arno Kleine Staarman van gemeente Hattem is er ruimte om rekening te houden met veranderende trends als deze: “Op het moment dat de innovatie of de veranderende trend zich aandient, kun je flexibel inspelen op de actuele situatie met een dynamische verwijzing. Daar kan het geschetste en aanpasbare kader een rol in spelen.”

Een tweede onderwerp is het woon- en leefklimaat, waarbij onder andere wordt gekeken naar de afstand van het initiatief tot de openbare ruimte, gemeenschappelijke voorzieningen, tot onderwerpen als gezondheid. Hoe prettig is het om te wonen op de locatie en welke mogelijkheden zijn er voor vrijetijdsbesteding? Moet de markt worden uitgedaagd om meer aandacht te besteden aan een groenere, fijnere leefomgeving? Roy Venekamp van Stafier meent dat het abstractieniveau hoger mag, wanneer je praat over bijvoorbeeld ‘levensloopbestendigheid’: “Een hoger niveau is je richten op de mogelijkheden om in te spelen op maatschappelijke en demografische veranderingen.”

Vanzelfsprekend kwam duurzaamheid ook terug als onderwerp: energiepositief, waterberging, hittestress, klimaatpositief, biodiversiteit en SMART-grid zijn onderdelen hiervan. Jasper Timmer van Vallei en Veluwe: “Het onderdeel ‘waterberging’ is wellicht te smal, want het gaat over het complete functioneren van water; hoe kun je gebruik ervan maken en gemak ervan hebben.

Venekamp vult aan: “Door natuurinclusief te ontwerpen versterk je de natuur en vice versa. Dit kan betekenen dat je op een natuurlijkere manier je duurzaamheidsdoelen bereikt. Peter Musters van VBI vult aan over de toepassing van hoogwaardig hergebruikte materialen: “Wellicht kun je een pijler opnemen om laagwaardig hergebruikte materialen te ontmoedigen of zelfs uit te sluiten.” Musters acht een zwaardere weging van circulariteit op zijn plek, gezien de maatschappelijke opgave rondom grondstoffenverbruik. “De rol als overheid sluit goed aan op het invullen van deze kans. Waardeer hoogwaardig hergebruik.” Nederstigt vult aan: “Denk ook aan het sociale aspect: het benutten van de openbare ruimte zoals appelbomen voor eigen gebruik maar ook centraal. Als je een ruimte hebt waarin je elkaar ontmoet, dan wordt dat iets van belanghebbenden samen. Daarnaast is het interessant om te bekijken of je in een wijk 24 uur per dag dynamiek kunt krijgen.”

Woningtypologie is het vierde thema. Past het woonprogramma binnen de ambitie van het deelgebied en welke innovatieve woonconcepten (tiny house, loft, levensloopbestandig) zijn er mogelijk? Erwin Rütgers van abcnova geeft aan dat het belang van dit onderwerp afhangt van ketenpartners als bijvoorbeeld woningcorporaties: Nederstigt noemt nog de kans om 100% remontabel als voorwaarde te stellen. ”Een vraag aan de architect of ontwikkelaar is om een wijk te creëren die adaptief is.” Een volgende onderwerp is mobiliteit, met elementen verkeersintensiteit, deelmobiliteit, parkeervoorzieningen, autovrij en autoluw en bereikbaarheid. Martin Kanis van Dura Vermeer: “Hoe kun je met de tijd transformeren en het doel dienen op dat specifieke moment? Deelmobiliteit is een onderdeel van die veranderende mobiliteit. Parkeernormen worden nog te vaak rigide over beleidsplannen gezet en daar zou je van kunnen afstappen, maar je moet het wel willen.” Erik Haverkort van gemeente Hattem: “Met winkels om de hoek kunnen we samenwerkingen inzichtelijk maken hoe kan worden samengewerkt om bijvoorbeeld omwonenden op winkelterreinen een elektrische auto op te laden.”

Het laatste thema is architectuur, met onder andere variatie in de architectuur, hiërarchie, directe relatie, entrees en erfafscheidingen. Voor dit onderwerp vinden expeditieleden dat Hattem zich niet moet vastpinnen op bijvoorbeeld specifiek materiaalgebruik, maar dat bijvoorbeeld de meest circulaire materialen moeten worden nagestreefd. Circulariteit zou het hoofdcriterium moeten zijn – voor elk plan.

Herder sluit de laatste expeditiebijeenkomst af, voordat hij in de avonduren aansluit bij gesprekken met andere belanghebbenden. Hij blikt vooruit: “We willen een bestemmingsplan maken met de expeditie-uitkomsten in de hand. We willen randvoorwaarden creëren waarin de transformatie de komende tien jaar mogelijk wordt. Met de input die we hebben gekregen en de ontwikkelingen die we zien gebeuren en de energie die ontstaat, gaat dit zeker mogelijk worden. Het is vervolgens aan de initiatiefnemers om met de goede ontwikkelplannen te komen.”

Wrap-up door wethouder Auke Schipper (Gemeente Hattem)

Toelichting mindmap Symbiose door Erik Haverkort (Gemeente Hattem)